Beleid

Doelstelling en filosofie van de Vereniging Gepensioneerden Buhrmann/CE/Staples(VGB).

Artikel 2, lid 1a van de statuten geeft de belangrijkste doelstelling weer, t.w.:

  1. “Het behartigen van de belangen van de leden en van degenen die lid kunnen zijn, in het bijzonder met betrekking tot de huidige of toekomstige pensioenen of aanspraken op pensioen uit de Stichting Pensioenfonds Staples, voorheen Stichting Pensioenfonds Buhrmann, en haar rechtsopvolgers en het in zijn algemeenheid behartigen van de belangen op sociaal-economisch terrein van genoemde leden en potentiële leden.”

De VGB volgt nauwlettend de regelgeving en spant zich in voor verbeteringen in de toekomst. Een extra bijkomstigheid is dat de belanghebbenden bij het pensioenfonds in overgrote meerderheid bestaan uit gepensioneerden en slapers en slechts een relatief kleine groep actieven. De VGB gaat daarbij uit van een zo groot mogelijke solidariteit tussen de generaties en tussen de groepen belanghebbenden onder de deelnemers en gewezen deelnemers aan het pensioenfonds.

Het Bestuur van de VGB besloot al in 2004 om deze uitgangspunten op de agenda te zetten en daarbij o.a. aandachtspunten aan te geven voor wijzigingen in de pensioenregeling en in de statuten en het huishoudelijk reglement van het pensioenfonds. De Algemene Ledenvergadering ging in november 2005 akkoord met de toen geformuleerde doelstellingen. Om adequaat te anticiperen op de voortschrijdende ontwikkelingen in de pensioenwereld, past het bestuur van de VGB dit beleid regelmatig aan de actualiteit aan. Hieronder de in maart 2009 aangepaste versie.

Middelen van de VGB

De invloed van de VGB op het beleid van het pensioenfonds komt onder meer tot stand via de door de VGB benoemde vertegenwoordigers in:

  1. het bestuur van de Stichting Pensioenfonds Staples;
  2. de deelnemersraad van de Stichting Pensioenfonds Staples;
  3. het verantwoordingsorgaan van de Stichting Pensioenfonds Staples;
  4. commissies en werkgroepen van de organen van het Pensioenfonds, zoals de beleggingscommissie van het pensioenfondsbestuur.

Het pensioenfonds is gebonden aan de pensioenwet en velerlei voorschriften en regels die door de overheid en de toezichthouders (zoals DNB en AFm) gesteld worden. Invloed op een niveau zo dicht mogelijk bij de wet- en regelgevers is van groot belang; ook dat is in de statuten verankerd en wel in Artikel 2, lid 1 c:

  1. “Het instandhouden en bevorderen van de contacten tussen de leden van de vereniging en andere organisaties met vergelijkbare doelstellingen.”

De NVOG is een typisch voorbeeld van zo’n organisatie. Daar waar mogelijk werkt de VGB actief mee aan de versterking en instandhouding van de NVOG, onder andere door deelname in werkgroepen, commissies en bestuur.

De doelen verder uitgewerkt

De belangen van gepensioneerden op sociaal-economisch terrein zijn het meest gediend bij een pensioen dat waardevast, of beter: welvaartsvast is. Daarom is jaarlijkse indexering van de pensioenen met de Consumenten Prijs Index een minimumvoorwaarde.

Gestreefd wordt naar indexering met een prijsindexcijfer waarin alle elementen van prijsstijging zijn verwerkt en daarboven nog een extra verhoging ingeval de welvaart in Nederland sneller stijgt dan die (totale) prijsindex. Wanneer de door het pensioenfonds toegepaste loonindex bijvoorbeeld hoger is dan de prijsindex, zouden ook de pensioenen – voor zover de middelen dat toelaten – extra verhoogd moeten worden.

Wanneer er in het pensioenfonds sprake zou zijn van een overschot aan middelen, dan dient dat op een evenwichtige wijze aangewend te worden door minstens 50% te besteden aan extra indexeringen en voor maximaal 50% aan premiekorting voor de werkgever.

Omdat het sociaal-economische belang o.a. ook gediend is met goede voorzieningen in de Zorg, spant de VGB zich ook op dat gebied in, door mee te werken in werkgroepen en commissies van de NVOG op dat gebied.

Transparantie voor de gepensioneerden van wat er in het pensioenfonds gebeurt, helderheid over rechten en uitkeringen in begrijpelijke taal, is eveneens een belangrijk afgeleid doel. Daarom spant de VGB zich o.a. ook in voor een helder en goed leesbaar Jaarverslag van het pensioenfonds.

Een algemeen aandachtspunt is de vraag of we onze leden uitsluitend moeten werven onder gepensioneerden en zij die binnen afzienbare (nader te definiëren) tijd met pensioen gaan, of dat we ons ook nadrukkelijk richten tot de nog actieve, jongere deelnemers. Tegen dat laatste pleit de potentiële belangentegenstelling tussen (relatief) jonge deelnemers en (bijna) gepensioneerden die er altijd is geweest, maar die de laatste tijd steeds duidelijker wordt. In dat licht richten we ons vooral op de (bijna) gepensioneerden in de 50+ groep.

Voorwaarden en middelen verder uitgewerkt.

De inzet en de kwaliteit van mensen zijn de belangrijkste voorwaarden om onze doelen met succes na te streven. Dat betekent dat we de best haalbare combinaties van inzet en kwaliteit bij mensen zoeken voor:

  1. Het bestuur van de VGB.
  2. De bestuursleden van de Stichting Pensioenfonds Staples, die op voordracht van de VGB benoemd worden.
  3. De leden van commissies van het pensioenfonds zoals de beleggingscommissie.
  4. De leden van het Verantwoordingsorgaan van de Stichting Pensioenfonds Staples, die op voordracht van de VGB benoemd worden.
  5. De leden van eventueel door de VGB in te stellen werkgroepen of commissies.
  6. De leden die deelnemen in bestuur, werkgroepen of commissies van de NVOG.

Het bestuur screent daarvoor o.a. de ledenlijst, verzamelt informatie over potentiële bestuurders en stelt een lijst op van mogelijke kandidaten.

De reeds actieve leden worden, voorzover daartoe de behoefte en de mogelijkheden bestaan, geschoold en ondersteund in hun activiteiten.

Om dit alles te kunnen financieren o.a. voor cursussen voor de vertegenwoordigers in de diverse organen vraagt de VGB van de leden een bijdrage die jaarlijks op de Algemene Leden Vergadering wordt vastgesteld. Deze bedraagt op dit moment 16 euro per kalenderjaar.

Aandachtspunten naar het pensioenfonds.

I. Medezeggenschap: De VGB is door het pensioenfondsbestuur erkend als de enige vertegenwoordiger van de gepensioneerden, nadat daarover in 2007 een enquête onder alle gepensioneerden was gehouden. Op die enquête reageerde meer dan de helft van alle gepensioneerden; ruim 97% van hen wees de VGB als vertegenwoordiger aan. Het pensioenfonds is van plan om die mening iedere 3 jaar te toetsen. In de praktijk is de medezeggenschap van de gepensioneerden als volgt ingevuld:

a) Samenstelling pensioenfondsbestuur: de VGB draagt nu, evenals de actieve werknemers, twee bestuursleden voor. Gepensioneerden en werknemers hebben samen de helft van de bestuurszetels. Dat is momenteel het maximaal haalbare in het kader van de Pensioenwet. Als de werkgever een defined benefit (vastgesteld pensioen)regeling handhaaft, dan is er ook plaats in het bestuur voor de werkgever. Als er door de werkgever overgeschakeld zou worden naar een defined contribution (vastgestelde bijdrage)regeling, dan zou er ook geen (of slechts een kleine) vertegenwoordiging van de werkgever in het bestuur mogen overblijven.

b) Bevoegdheden/competentie bestuursleden: het vetorecht van de Raad van Bestuur van CE moet kritisch bekeken worden (mede in het licht van het voorgaande). Gepensioneerden moeten een evenredige zeggenschap hebben/krijgen aan hun aantal onder de (gewezen) deelnemers.

c) Deelnemersraad: De VGB streeft naar een zodanige toepassing van de wettelijke bevoegdheden van de DR, dat deze ook echt volgens de bedoeling kan optreden. De verhouding tussen de aantallen gepensioneerden en actieven in de DR, behoort een redelijke afspiegeling te zijn van de verhouding van de omvang van de betreffende populaties.

d) Verantwoordingsorgaan: wij streven naar een ruimhartige invulling van de nieuwe wetgeving, waarbij het pensioenfondsbestuur tweemaal per jaar verantwoording aflegt over zowel het voorgenomen als het uitgevoerde beleid.

II. Pensioenen:

a) Indexering: moet plaatsvinden op een evenwichtige manier, waarbij de belangen van actieven, slapers en gepensioneerden gelijkwaardig gediend worden en waarbij de gepensioneerden niet alleen hun koopkracht behouden, maar ook daadwerkelijk meedoen met de welvaartsgroei. In dit opzicht zou voor alle groepen belanghebbenden dezelfde index moeten gelden.

b) Premieheffing: bij een eventueel reservetekort zou de werkgever tijdelijk een hogere dan de gedempte premie tot zelfs de volledig kostendekkende premie moeten betalen. Premiekorting voor de werkgever mag slechts aan de orde zijn wanneer alle geambieerde indexeringen voor een lange termijn veilig gesteld zijn en de voorgeschreven en door het bestuur gewenste reserves volledig op peil zijn en blijven. Terugstortingen aan de werkgever mogen eigenlijk niet meer plaatsvinden. Wanneer er sprake zou zijn van een overschot aan middelen dan dient dat op een evenwichtige wijze aangewend te worden door minstens 50% van het overschot te besteden aan extra indexeringen en maximaal 50% aan premiekorting voor de werkgever.

III. Randvoorwaarden:

Informatie aan en scholing en training van bestuursleden, commissieleden, leden van de Deelnemersraad en van het Verantwoordingsorgaan moet optimaal geregeld worden.

Beleidsvisie VGB maart 2009